Hoofdstuk 1, Paragraaf 1
In uitvoering

Creatieve Vaardigheden Ontwikkelen

Richten op Creatieve Vaardigheden

Paul Torrance, vaak gezien als de “vader van de creativiteit,” identificeerde vier creatieve denkvaardigheden. Zijn onderzoek toont aan dat deze vaardigheden zowel onderwezen als beoordeeld kunnen worden:

Vloeiendheid (Fluency)
Vloeiendheid is het vermogen om veel ideeën te genereren, waarbij het kernwoord ‘veel’ centraal staat. In de klas kan dit bijvoorbeeld gestimuleerd worden door leerlingen binnen een bepaalde tijd zoveel mogelijk oplossingen te laten bedenken voor een complex vraagstuk.

Flexibiliteit (Flexibility)
Flexibiliteit draait om het genereren van verschillende soorten ideeën, met de nadruk op het kernwoord ‘verandering’. Leerkrachten kunnen deze vaardigheid stimuleren door verschillende perspectieven of invalshoeken te introduceren bij een onderwerp, waardoor leerlingen worden aangemoedigd om hun denkwijze aan te passen.

Originaliteit (Originality)
Bij originaliteit gaat het om het genereren van unieke, eenmalige ideeën, waarbij het kernwoord ‘ongebruikelijk’ is. Dit kan worden bevorderd door leerlingen uit te dagen om iets te creëren of op te lossen dat buiten de gangbare normen of verwachtingen valt.

Uitwerking (Elaboration)
Uitwerking heeft te maken met het vermogen om detail toe te voegen of ideeën uit te breiden, gefocust op de kernuitdrukking ‘toevoegen aan’. Dit kun je stimuleren door leerlingen de ruimte te geven hun initiële ideeën verder te ontwikkelen en te verfijnen.

Het doel van creatieve vloeiendheid is niet om één uitmuntend idee te genereren, maar om veel ideeën te genereren. Het gaat hier dus om kwantiteit; door veel ideeën te genereren hopen we enkele kwalitatieve reacties te vinden. Vaak gebruiken leerkrachten een vorm van brainstorming om deze vloeiendheid bij leerlingen aan te moedigen. Leerlingen kunnen mondeling of schriftelijk brainstormen.

Hoe Verbeter je Brainstormvaardigheden bij Leerlingen?

Niet alle leerlingen zijn even goed in brainstormen. Sommigen hebben wel de kennis maar zijn gewoon zwak in het genereren van veel ideeën. Hier zijn enkele strategieën die leerkrachten kunnen gebruiken:

  1. Gebruik de Klasomgeving als Inspiratie: Als leerlingen vastzitten, laat ze dan rondkijken in het klaslokaal. Is er iets dat ze kunnen associëren met het onderwerp?
  2. Koppel aan Interesses van Leerlingen: Als het gaat om het begrijpen van het gedrag van een literair personage, kunnen leerlingen dit koppelen aan een personage uit hun favoriete boek of tv-show.

Het Gevaar van de Eerste Ingeving

Leerlingen die geen creatieve vloeiendheid ontwikkelen, vertrouwen meestal op het eerste idee dat in hen opkomt. Dit is vaak een algemeen idee en niet één die blijk geeft van diepgaand denken. Het stellen van duidelijke parameters voor een vraag kan hierbij helpen. Zo zal het aantal relevante antwoorden toenemen.

Bijvoorbeeld, als aan leerlingen wordt gevraagd wat mensen zouden kunnen vinden in een kasteel tijdens de Middeleeuwen, dan is “een computer” geen correct antwoord. De antwoorden moeten zinvol zijn binnen de gestelde vraag.

Dus, het ontwikkelen van creatieve vloeiendheid is niet alleen een kwestie van het genereren van veel antwoorden, maar ook van het stimuleren van een variëteit aan “juiste” antwoorden binnen een bepaald kader. En dat is waar de leerkracht een belangrijke rol speelt: het bieden van de juiste tools en omgeving om deze vaardigheid bij leerlingen te ontwikkelen.

Om dieper over de lesstof na te kunnen denken, moeten leerlingen in staat zijn om problemen en situaties op verschillende manieren te benaderen. Flexibel denken komt naar voren als leerlingen verschillende standpunten innemen, analogieën en metaforen maken, en veranderingen of verbeteringen voorstellen.

Belang van Diepgaande Kennis

Net als bij vloeiendheid is het voor flexibiliteit belangrijk dat leerlingen de lesstof op meer dan een oppervlakkig niveau begrijpen. Een leerling die veel ideeën genereert, toont wel vloeiendheid maar geen flexibiliteit als al die ideeën van hetzelfde soort zijn.

Oefening Baart Kunst

Ook hier geldt dat oefening en gerichte instructie nodig zijn. De leraar moet als coach optreden en strategieën aanleren voor als de leerling vastloopt in zijn denkproces. Een methode is om ze te leren denken in categorieën. De leraar roept bijvoorbeeld “dieren”, en de leerlingen noemen zoveel mogelijk dieren. Daarna schakelt de leraar naar “eten”, en de leerlingen doen hetzelfde voor voedsel. Dit helpt leerlingen om niet vast te blijven zitten in één denkspoor.

Gedwongen Associatie

Een andere methode om vastgelopen denken te doorbreken, is door ‘gedwongen associatie’ te modelleren. Bijvoorbeeld, hoe zou het gezegde “langzaam maar zeker” van toepassing kunnen zijn op het verhaal van Assepoester, of op een elektrisch circuit, of op wiskundige probleemoplossing?

SCAMPER Methode

Jaren geleden identificeerde Alex Osborn specifieke soorten vragen die gebruikt konden worden om flexibel denken op te roepen. Eberle’s SCAMPER-methode (vervangen, combineren, aanpassen, wijzigen/ maximaliseren/minimaliseren, voor andere doeleinden gebruiken, elimineren, en herschikken) bouwt hierop voort. Bijvoorbeeld, een leraar gebruikte SCAMPER om flexibel denken te bevorderen tijdens een eenheid over de industrie, middelen en economie van hun provincie Zeeland. De leerlingen gebruikten de methode om te bespreken wat er was veranderd of aangepast om van een zoet broodje een Zeeuwse bolus te maken. Flexibiliteit in denken is dus niet slechts een ‘leuke extra’, maar een essentiële vaardigheid die leerlingen in staat stelt om dieper en breder te denken, verbanden te leggen en creatieve oplossingen te vinden. En net als bij vloeiendheid, speelt de leraar hierin een cruciale rol als coach en facilitator.

Originaliteit betreft het vermogen om een uniek idee te genereren. Veel leerlingen moeten eerst hun vaardigheden in vloeiendheid en flexibiliteit ontwikkelen voordat ze originele ideeën kunnen bedenken. Focussen op vloeiendheid als startpunt helpt bij het ontwikkelen van originaliteit; als een leerling veel ideeën genereert, is de kans groter dat er een of twee ideeën tussen zitten die echt uniek zijn. Flexibel denken stelt leerlingen in staat hun eigen ideeën te vergelijken om te zien hoe verschillend ze zijn; een idee dat verschilt van al hun andere ideeën kan als origineel worden beschouwd.

Context is Koning

Het is belangrijk dat leerlingen begrijpen dat het hebben van een origineel idee contextgebonden is. Het is gebaseerd op een bepaalde les, op een bepaald moment, onder bepaalde omstandigheden. Soms kunnen ze in de ene situatie wel originele ideeën bedenken en in de andere niet.

Lesaanpak

Net als bij het onderwijzen van vloeiendheid en flexibiliteit, is het belangrijk om het proces van origineel denken expliciet met leerlingen te bespreken. Een les die leerlingen bijvoorbeeld vraagt om een lijst te maken van manieren om wereldhonger op te lossen (vloeiendheid), om vervolgens hun ideeën te categoriseren om te zien hoeveel verschillende soorten ideeën ze hebben gegenereerd (flexibiliteit), en dan te identificeren of ze unieke (originele) ideeën hebben, illustreert het proces conceptueel.

Culturele Referenties en Interesses

Om originaliteit te stimuleren, kan het handig zijn om de huidige interesses en populaire culturele referenties van leerlingen te integreren. Een voorbeeld hiervan is een docent maatschappijleer in het middelbaar onderwijs die een webquest ontwierp met verschillende activiteiten die vloeiend en flexibel denken bevorderen. Leerlingen konden de vorm van hun eindbeoordeling zelf kiezen, zoals het ontwikkelen van een reeks TikTok-filmpjes of het maken van een wereld in Minecraft. Het project was erg populair en stelde de leraar in staat om zowel de beheersing van de lesstof als de originaliteit van de leerlingen te beoordelen.

Niet Alleen Producten

Vaak denken leraren bij originaliteit aan originele producten of uitvindingen. Dat is prima, maar we willen ook origineel denken waarderen.

Dus, originaliteit is niet alleen het “kersje op de taart” maar een essentiële denkvaardigheid die hand in hand gaat met vloeiendheid en flexibiliteit. Het is een skill die zowel expliciete instructie als praktijk vereist, en waarin de leraar wederom een sleutelrol speelt.

Uitwerking (elaboration) is het vermogen om details toe te voegen aan het idee van iemand anders of een idee uit te breiden – om een idee te nemen en er “mee op de loop gaan.” Net als andere creatieve denkvaardigheden vereist divergent denken dat leerlingen een stevige grip hebben op de inhoud om een onderwerp, concept, kwestie of thema uit te kunnen breiden. Wanneer je het concept van uitwerking introduceert als een creatieve denkvaardigheid, voorzie leerlingen dan van voorbeelden van uitwerking in de wereld (bijv. computers, renovaties van huizen, vervolgen op films of klassieke literaire werken, wetenschappelijke concepten of theorieën, organisaties ontwikkeld om te reageren op een zorg of probleem in de gemeenschap).

Help leerlingen het verschil te begrijpen tussen kwalitatieve uitwerking, in tegenstelling tot simpelweg details toevoegen of een idee op een andere manier herhalen; dat is meer van hetzelfde. Een manier om dit te doen is door leerlingen schrijfstukken te laten vergelijken (bijv. een lang stuk dat eigenlijk weinig zegt versus een korter stuk dat daadwerkelijk meer uitwerking biedt).

Net als bij originaliteit bouwen uitwerkingsvaardigheden voort op vloeiendheid en flexibiliteit; naarmate leerlingen comfortabeler worden met het genereren van veel verschillende ideeën, zullen ze ook beter in staat zijn om die ideeën te identificeren die het beste kunnen worden uitgebreid of uitgewerkt. Het kan helpen om het onderwijzen van uitwerking te ondersteunen door leerlingen sjablonen, specifieke bronnen of hulpmiddelen zoals graphic organizers te bieden om hen te helpen informatie te beheren en hun denken te organiseren.

Wat gebeurt er als de leraar wil dat de leerling uitweidt en de leerling reageert met een of twee zinnen die niet uitgewerkt zijn? Dit is een indicatie dat de leerling ofwel een gebrek aan inhoudelijke kennis heeft, ofwel simpelweg niet in staat is om aanvullende reacties te bedenken. Het aanmoedigen van leerlingen om elkaars ideeën als springplank te gebruiken zal hen het proces van uitwerking modelleren. Bijvoorbeeld, als een leerling zegt dat een tsunami een ongewoon hoog getij veroorzaakt, kan een andere leerling voortborduren op dit idee door op te merken dat een tsunami vaak erosie veroorzaakt; de opmerking van de eerste leerling over een hoog getij liet de volgende leerling denken aan het wegspoelen van zand en aarde.