Hoofdstuk 1, Paragraaf 1
In uitvoering

Denkroutines A tot Z

Klik op de titel van de denkroutine om het Routineblad te downloaden.

Denkroutines A tot Z

  1. 3-2-1 Brug: Noteer 3 gedachten, 2 vragen en 1 metafoor over een onderwerp voordat je met een les begint en herhaal dit na de les om te reflecteren op wat je hebt geleerd en hoe je denken is veranderd.
  2. Begin Midden Eind: Gebruik je verbeelding om te bedenken wat er zou kunnen gebeuren vóór, tijdens of na een specifiek moment of situatie.
  3. Benoemen, Beschrijven, Handelen: Kijk aandachtig naar een afbeelding of object, benoem wat je ziet, beschrijf het en schrijf vervolgens op wat elk onderdeel doet.
  4. Cirkel van perspectieven: Bekijk een onderwerp vanuit de ogen van verschillende mensen of groepen om te begrijpen hoe zij erover denken.
  5. Claim, Ondersteuning, vragen: Maak een bewering over een onderwerp, zoek bewijs om deze te ondersteunen, en stel daarna een vraag over je claim of het bewijs.
  6. Creatieve Jacht: Onderzoek de creativiteit in een object of idee door na te denken over het hoofddoel, de onderdelen en het publiek.
  7. Creatieve vergelijkingen: Vergelijk een onderwerp of kunstwerk met iets heel anders (bijvoorbeeld een muziekinstrument) en leg uit waarom de vergelijking klopt.
  8. Creatieve vraagstarters: Bedenk diepgaande vragen over een onderwerp door starters te gebruiken zoals “Wat als…?” en “Hoe zou het anders zijn als…?”.
  9. Creatieve vragen: Bedenk een lijst met vragen over een onderwerp, kies de meest interessante en verken deze creatief met een verhaal, tekening of scenario.
  10. Creëer Ruimte voor Leren: Adem diep in en uit om je te concentreren, teken een cirkel en schrijf gedachten die je niet nodig hebt buiten de cirkel en gedachten die je helpen binnenin.
  11. De 3 Waarom-vragen: Onderzoek waarom een onderwerp belangrijk is door te reflecteren op de betekenis voor jezelf, de mensen om je heen en de wereld.
  12. Denkroutine De 4 C’s: Denk dieper na over een gelezen tekst door verbindingen te leggen, uitdagingen te identificeren, belangrijke concepten te onthouden en na te denken over mogelijke veranderingen.
  13. De Complexiteitsschaal: Schrijf feiten en ideeën over een onderwerp op en plaats ze op een schaal van eenvoudig tot complex om te begrijpen wat iets ingewikkeld maakt.
  14. Denk, Deel, Bespreek: Denk individueel na over een vraag, deel je ideeën met een klasgenoot en bespreek vervolgens de bevindingen samen met de rest van de klas.
  15. Denk, Puzzel, Onderzoek: Schrijf op wat je al weet over een onderwerp, noteer welke vragen of “puzzels” je hebt en bedenk hoe je die kunt onderzoeken.
  16. Denk, Voel, Zorg: Kruip in de huid van verschillende personen binnen een systeem (zoals school of werk) en bedenk wat ze denken, voelen en belangrijk vinden.
  17. Denken met Beelden: Vergelijk een onderwerp met verschillende beelden om nieuwe manieren te ontdekken om verbanden te leggen en ideeën te begrijpen.
  18. Door de Tijd Kijken: Plaats een onderwerp in een historisch perspectief door na te denken over hoe het 10, 100 en 1000 jaar geleden was en hoe het in de toekomst zal zijn.
  19. Ervaringen, uitdagingen, vragen en Inzichten (EUV+I): Reflecteer op een project door de ervaringen, uitdagingen, nieuwe vragen en inzichten te benoemen.
  20. Feiten of Fictie: Analyseer een afbeelding of nieuwsbericht door te onderzoeken wat er wordt verteld, wie het wil vertellen, hoe het anders kan worden begrepen en wat je zelf gelooft.
  21. Genereren, Sorteren, Verbinden en uitwerken: Maak een conceptmap door ideeën over een onderwerp te genereren, ze te sorteren op belangrijkheid, lijnen te trekken om ze te verbinden en ze verder uit te werken.
  22. Gevoelens en Opties: Identificeer de betrokkenen in een sociaal dilemma, bedenk wat ze voelen, verbeeld mogelijke oplossingen en bedenk wat ze zouden kunnen zeggen om het op te lossen.
  23. Het uitlegspel: Observeer een voorwerp of idee, stel een “waarom”-vraag en bedenk mogelijke antwoorden om te begrijpen waarom iets is zoals het is.
  24. Het verhaal onthullen: Kijk dieper naar een afbeelding of tekst door na te denken over het zichtbare verhaal, het menselijke en wereldverhaal, en wat er ontbreekt.
  25. Het Zit Hem in de Details-Spel: Beschrijf samen de details van een afbeelding of object zonder meteen te interpreteren wat het betekent.
  26. Hetzelfde Anders verbinden Betrekken: Verplaats je in een ander en leer wat jullie hetzelfde en anders maakt en hoe jullie toch verbonden zijn.
  27. Hetzelfde en Anders: Onderzoek twee dingen die op elkaar lijken maar toch anders zijn, en bedenk waarom dat zo is.
  28. Hier en Nu / Daar en Toen: Vergelijk hoe wij nu denken over een onderwerp met hoe mensen vroeger over hetzelfde onderwerp dachten.
  29. Hoe Anders en Waarom?: Leer je boodschap op verschillende manieren over te brengen door je woorden, toon en lichaamstaal aan te passen aan de situatie en het publiek.
  30. Hotspots – Waar of Onzeker?: Beoordeel beweringen als waar, onwaar of onzeker en bedenk hoe belangrijk het is om meer over die ideeën te weten te komen.
  31. Ik dacht vroeger… Nu denk ik…: Reflecteer op je leerproces door te vergelijken wat je vroeger dacht met wat je nu denkt over een onderwerp.
  32. Kern in een Kop: Vat de nieuwe kennis of het belangrijkste idee van een les samen in een korte krantenkop.
  33. Kies je Standpunt: Denk na over een dilemma zonder duidelijk goed of fout antwoord, vorm je mening, luister naar anderen en herzie je standpunt.
  34. Kijken – Tien keer Twee: Kijk aandachtig naar een visueel werk en schrijf in twee rondes 10 woorden of zinnen op die beschrijven wat je ziet.
  35. Kleur, Symbool, Beeld: Verbeeld de kern van een idee met een kleur, een symbool en een beeld.
  36. Kleuren, Vormen, Lijnen: Focus op de details van een kunstwerk of object door op te schrijven welke kleuren, vormen en lijnen je ziet.
  37. Kompaspunten: Onderzoek een idee vanuit vier ‘kompaspunten’: Nodig om te Weten, Opwindend, Zorgwekkend en Weg voorwaarts.
  38. Lenzen voor Dialoog: Kijk naar een maatschappelijk thema vanuit verschillende perspectieven (“lenzen”) zoals je leeftijd, cultuur of beroep.
  39. Loop door de week: Ontdek hoe een onderwerp van school in het dagelijks leven voorkomt door voorbeelden bij te houden in een logboek.
  40. Luisteren – Tien keer Twee: Luister aandachtig naar muziek en beschrijf in twee rondes wat je hoort met 10 woorden of zinnen per keer.
  41. Stap Binnen: Kruip in de huid van een ander (een persoon of object) om te begrijpen wat ze waarnemen, weten of geloven, en belangrijk vinden.
  42. Maak een Notitie: Schrijf na een les of activiteit kort het belangrijkste punt, een uitdaging, een interessante vraag of een interessant feit op.
  43. Manieren waarop dingen complex kunnen zijn: Verdeel een complex onderwerp (zoals een stad) in kleine stukken door vragen te stellen over de onderdelen, de waarheid, de geschiedenis, de betrokkenheid en verschillende perspectieven.
  44. Mooi & Waar: Zoek naar de schoonheid en de waarheid in wat je ziet en bedenk hoe schoonheid kan helpen de waarheid te onthullen of te verbergen.
  45. Onderdelen, Doelen en Complexiteiten: Analyseer een object of systeem door de onderdelen te beschrijven, na te denken over hun doelen en eventuele complexiteiten te verkennen.
  46. Onderdelen, Perspectieven en Ik: Bestudeer een object of systeem door de onderdelen, de perspectieven van anderen en je eigen mening en ervaring te onderzoeken.
  47. Onderdelen, Mensen, Interacties: Begrijp hoe een systeem werkt door de onderdelen en de betrokken mensen te benoemen en te beschrijven hoe ze met elkaar samenwerken.
  48. Optiediamant: Analyseer een moeilijke keuze door de voordelen en nadelen te noteren, en compromissen en creatieve oplossingen te bedenken.
  49. Optie-explosie: Bedenk zo veel mogelijk oplossingen voor een probleem door te beginnen met de meest voor de hand liggende opties en vervolgens op zoek te gaan naar verborgen of extreme ideeën.
  50. Overbrug de Afstand: Vergelijk hoe mensen in jouw buurt denken over een onderwerp met hoe mensen in een andere stad of land erover denken.
  51. Pel de vrucht: Begrijp een onderwerp laagje voor laagje door te beginnen met wat je al weet (“de schil”), vragen te verzamelen (“substantie”) en tot de kern van het inzicht te komen.
  52. +1 Routine: Maak na een les een lijst van belangrijke punten, wissel deze uit met een klasgenoot die er iets nieuws aan toevoegt, en ontvang je aangevulde lijst terug.
  53. Projecteren over de Tijd: Bekijk een onderwerp vanuit het verleden, het heden en de verre toekomst om een breder beeld te krijgen van hoe het door de tijd heen verandert.
  54. Rood licht, Geel licht: Bepaal de geloofwaardigheid van een bewering door te zoeken naar ‘rode lichten’ (duidelijk onwaar) en ‘gele lichten’ (twijfelachtig).
  55. Stap In – Stap uit – Stap Terug: Kruip in de huid van een ander, bedenk wat je zou moeten vragen om hen te begrijpen en reflecteer op wat je hebt geleerd over je eigen manier van kijken.
  56. Stel je voor...: Bedenk hoe je een object of systeem kunt verbeteren door vragen te stellen over hoe het beter, makkelijker, veiliger of mooier kan.
  57. Stil Gesprek: Denk samen met anderen na over een vraag of probleem door je ideeën en reacties in stilte op te schrijven op papier.
  58. Stop, Kijk, Luister: Bedenk wat je wilt weten, zoek naar informatie uit verschillende bronnen en luister aandachtig om te bepalen of de informatie betrouwbaar is.
  59. Touwtrekken over rechtvaardigheid: Onderzoek een dilemma door argumenten voor en tegen elk standpunt op te schrijven om te begrijpen waarom mensen verschillend denken over wat eerlijk is.
  60. Verbind, Breid uit, Daag uit: Leg verbindingen tussen nieuwe informatie en wat je al weet, breid je denken uit met nieuwe ideeën en daag jezelf uit door nieuwe vragen te stellen.
  61. Verhalen – Complexiteit verkennen: Analyseer een verhaal door te kijken naar wat wordt verteld, wat wordt weggelaten en hoe jij het verhaal zou vertellen.
  62. Waarden, identiteiten, acties: Onderzoek media zoals posters en infographics door na te denken over de waarden die worden gepresenteerd, de afgebeelde identiteiten en de acties die worden aangemoedigd.
  63. Waarheid voor wie?: Kies een standpunt over een stelling vanuit een specifiek perspectief om te begrijpen hoe de situatie en belangen van een persoon hun mening beïnvloeden.
  64. Wat kan zijn: Denk creatief na over hoe een probleem of idee kan veranderen en bedenk hoe je de problemen kunt omzetten in positieve kansen.
  65. Wat maakt dat je dat zegt: Leg uit waarom je iets denkt door te beschrijven wat je ziet en hoe die details je mening beïnvloeden.
  66. Woord, zin, uitspraak: Kies een opvallend woord, een belangrijke zin of een kernachtige uitspraak uit een tekst en bespreek waarom je deze hebt gekozen.
  67. Zie, Denk, Ik, Wij: Analyseer een afbeelding of object door te beschrijven wat je ziet, na te denken over de betekenis ervan, het te verbinden met je eigen leven en het te plaatsen in een grotere context.
  68. Zie, Denk, Maak, Bespreek: Kijk naar een afbeelding of object, denk na over de betekenis ervan, creëer iets om je gedachten te uiten en bespreek het daarna met anderen.
  69. Zie, Denk, verwonder: Kijk goed naar een object, denk na over wat het betekent en stel nieuwe vragen om je nieuwsgierigheid te prikkelen.
  70. Zie, verwonder, Verbind: Observeer iets aandachtig, stel je vragen erover en leg verbanden met je eigen leven en wat je op school leert.
  71. Zie, Voel, Denk, verwonder: Kijk naar een object, beschrijf je gevoelens en gedachten erover, en stel vragen om dieper na te denken.
  72. Zoek om te Zien: Leer om de menselijke waardigheid in anderen te zien door na te denken over hun gevoelens, krachten, verbindingen met jou en waarde.
  73. Zoektocht naar de waarheid: Gebruik een touwtrekwedstrijd om argumenten voor en tegen een stelling te wegen, en te ontdekken welke vragen nog onbeantwoord zijn.